Bridgeclub heeft gezelligheid als troef
Rietje (‘Nee, geen Riet’) kent iedereen en iedereen kent Rietje. Niet alleen vanuit de bakkerij die ze jarenlang samen met man Ad runde, maar ook van haar andere grote liefde: het bridgespel.
Ewald Sieben vertelt in dit humoristische en zelfrelativerende verhaal over zijn jeugd in het Roosendaal van de jaren vijftig en zestig. Zijn grote liefde voor vissen en vijvers brengt hem als jongen tot ondeugende avonturen, waaronder het stiekem vangen van goudvissen uit de gracht van het Tongerlohuys. De situatie bereikt een komisch hoogtepunt wanneer hij dezelfde vissen later aan de pastoor terugverkoopt. Met veel charme en nostalgie beschrijft Sieben een jeugd vol kattenkwaad, dierenliefde en katholieke schuldgevoelens.
Verhaal van Edward Sieben op 22 januari 2026
Ik weet niet of het verstandig is dat ik dit verhaal met u deel. Ik zet mijn goede naam op het spel en het kan vergaande consequenties hebben voor mijn lot in het hiernamaals. Aan de andere kant is het waargebeurd en als de opperbaas echt alwetend is, dan heeft hij zijn conclusie al lang getrokken.
Ik neem u mee naar 1954. In het prachtige pand aan de Markt 15 in Roosendaal wordt op 9 september een onschuldig prulleke geboren dat mijn naam krijgt. De baby-, peuter- en kleuterjaren verlopen nog probleemloos. De eerste tekenen van bedenkelijke dierenliefde worden zichtbaar na verhuizing van het gezin naar de Laan van Luxemburg, nu een straat in het hart van de stad, maar toen zo’n beetje de zuidelijke grens van Roosendaal.
De ruime tuin bood ongekende mogelijkheden om met dieren aan de slag te gaan. Een landschildpad, tamme kauwen, kuikens, duiven, konijnen, egels enz. enz. Allemaal leuk en aardig, maar al snel draaide moederlief voor de verzorging op. Nee, mijn echte passie bleek water en vissen. Ik kan nog steeds geen plasje voorbij lopen zonder er in te kijken in de hoop vissen te zien.
Hoewel ik later serieuze betonnen constructies met waterval bouwde, had mijn eerste vijver weinig om het lijf. Het was een bovengrondse houten bak van 1,5 bij 1 meter, amper 30 cm hoog, met plastic folie waterdicht gemaakt. Tijdens de toen nog strenge winters werd het een enorme ijsklomp. Hoewel ik éénmaal heb meegemaakt dat een vastgevroren vis in het voorjaar ontdooide en vrolijk wegzwom, stierven de meeste hobbydieren elk jaar een wisse vriesdood.
Mijn zakgeld was ontoereikend om het verlies te compenseren, dus moest ik genoegen nemen met in sloten gevangen dikkoppen, salamanders en stekelbaarsjes. Totdat ik de gracht van het Tongerlohuys – toen nog pastorie van de Sint Jan – ontdekte. Die gracht kende ik al wel, maar om een of andere reden had ik gemist dat zich onder de waterlelies en het kroos goudvissen schuil hielden.
De verleiding werd zo groot dat ik mijn Rooms-Katholieke opvoeding tijdelijk terzijde schoof en met schepnet en emmer naar de gracht toog. Nu moet u weten dat het gietijzeren, manshoge hekwerk, uitgerust met vervaarlijke speerpunten, toen ook al de waterpartij afgrendelde.
Ik kan het zelf nauwelijks geloven, maar amper 10 jaar oud klom ik bij vol daglicht over dat hek, hield me met één hand vast en hing zo ver voorover dat ik met het schepnet het grachtwater kon bereiken. Verder ongehinderd wist ik mijn emmertje te vullen en liep ik tevreden huiswaarts, waar mijn houten vijver zich gestaag vulde met een fraaie collectie goudvis.
Eenmaal dacht ik de klos te zijn. De parochie-kapelaan (Franciscus Gerardus Roberti), die later nota bene mijn huwelijk inzegende, kwam naar buiten en vroeg bezorgd: ‘Je bent toch geen vissen aan het vangen hè Ewald?’ ‘Nee hoor’, loog ik blozend, ‘het gaat mij om de watervlooien.’ De goede man geloofde me, ondanks de grote mazen in mijn net. Hij had die beestjes nog nooit gezien en kwam belangstellend in mijn emmer kijken. Gelukkig had ik nog niets gevangen.
Na deze betreurenswaardige misleiding moest mijn grootste zonde nog komen. Aangezien mijn vader in paramenten handelde, was mijnheer pastoor (Cornelis Jacobus – Silveer – van Bruggen) bij ons kind aan huis. Op een zonnige zomermiddag stond hij mijn vijvertje te bewonderen en complimenteerde hij me met mijn fraaie school goudvissen. ‘Bij ons in de gracht zit bijna niets meer’, mijmerde hij hardop.
Op dat moment kwam het slechtste in mij boven. Ik bood de eerwaarde aan om een paar vissen over te nemen… tegen marktwaarde. Zo kon het gebeuren dat de sympathieke herder zijn eigen vissen stond terug te kopen!
Ik hoop dat hij en alle gezagdragers daarboven dit verhaal als een publieke biecht willen beschouwen. De gebruikelijke penitentie aan weesgegroetjes heb ik alvast gebeden.
Afbeelding: Ets van het gezicht op de gracht gelegen om de voormalige pastorie van de Sint Janskerk in de Molenstraat te Roosendaal.
Samen beleven we meer
Reacties op dit verhaal