De winkel van Dhaeze
De winkel van Dhaeze was een icoon in het Roosendaalse straatbeeld. Om die reden gingen wij in gesprek met Pieter Dhaeze, die mooie herinneringen heeft overgehouden aan de bijzondere winkel van zijn...
Zoals ik reeds eerder had verteld, was ik in militaire dienst bij de 12e compagnie AAT (Aan-en Afvoer Troepen), ingekwartierd in het Patronaat van St. Josephkerk in Roosendaal. Ons peloton werd aangewezen – wij spraken van uitverkoren – om met een konvooi vrachtauto’s van Roosendaal via België en Frankrijk naar Genève in Zwitserland te rijden om daar bij de Hispano Suiza fabriek snelvuurkanonnen voor het Nederlandse leger op te halen. Het was augustus 1946. Voor de goede orde; in die tijd kreeg niemand een paspoort om het buitenland te bezoeken, afgezien van hooggeplaatste functionarissen of managers.
Bovendien drie sergeants op de motor als ordonnance en verkeersregelaars. Een aantal chauffeurs had een bijrijder; zelf was ik bijrijder (zonder rijervaring) bij soldaat Giskes. Op 28 Augustus 1946 gingen we op stap; commandant Sergeant Major van de Starren voorop. Het vergde een zekere techniek om aaneengesloten te rijden en dat duurde even. Aan de Belgische grens was het oponthoud gering, maar dat was anders aan de Franse grens, waar de douane de papieren moest vergelijken met de namen van de chauffeurs, bovendien moesten ze alle wagens nauwkeurig controleren. Ook voor hen was dit een noviteit. De Autobaan was nog een onbekend begrip; we reden over de tweebaansweg RN7 door dorpen en standjes. Onze eerste stop was het grote Amerikaanse kampement bij Reims.
Een Amerikaanse soldaat bij de ingang riep: “Allied convoy?”. “Yes, allied convoy”, klonk het van onze kant in koor, en hij tankte alle wagens vol. Ik zag besmuikte gezichten van onze chauffeurs; zij hielden benzine over. In het kamp konden we vorstelijk eten in de kantine en slapen in een aparte loods. Een hospik liet ons de dokterspost zien. Hij trok een kast open en daar viel een soort mitrailleurband uit, géén patronen, maar condooms, die gul gretig aftrek vonden bij de AATers.
keukenwagen kreeg veel bekijks. Hoe ze het zo gauw voor elkaar kregen weet ik niet, maar ik zag enkele louche mannetjes, die vaten benzine meenamen tegen betaling van flappen Franse Francs.
Benzine was (net als nu, JP) goud waard. Er was geen tankstation te bekennen. In die tijd reden de meeste auto’s in Frankrijk met een aanhangwagentje met houtgestookte gasgenerator of met een soort gasballon op het dank. Enfin, ik heb van dat geld geen centime gezien, maar ik wilde er ook niets mee te maken hebben. Maar sommigen maakten er goede sier mee. Laten we het er maar op houden dat de condooms goed van pas kwamen….
We vervolgden onze weg langs de RN7, toen chauffeur soldaat Giskes zei: “Hou je voet even op het gas, dan draai ik een shaggie”. Ik schuif wat op en op hetzelfde moment doet hij zijn deur open en roept die halve gare: “Nu moet jij rijden”, terwijl hij voorlangs het raam over de motorkap naar de andere kant klauterde. Volstrekt onverantwoord. Ik had alleen binnen het kazerneterrein eens een stukje in zo’n FWD gereden. Ik wist me géén raad, maar ondanks veel gevloek, getier en smeekbedes moest ik er als jonge knaap toch aan geloven. Hij zat onbewogen naast me. Het was een kilometer lange rechte heuvelachtige weg; maar toen kwamen er kleine dorpjes met nauwe bochtige straatjes. Hij wees op twee vlaggenstokjes op de bumper en zei: “Waar die langs gaan, daar gaat alles langs”.
Ik zweette peentjes. De motor ordonnansen regelden het schaarse verkeer in die dorpjes. Terugschakelen moest in de “double clutch” en dat lukte me nog goed ook. Maar ik raakte in paniek en wilde eruit. Plotseling zag een ordonnans dat ik achter het stuur zat. Wild gebarend en schreeuwend wilde hij de zaak stoppen, maar dat ging niet zo makkelijk, dus reed hij naar de commandant en vervolgens werd de hele kolonne moeizaam tot stilstand gebracht. Er zwaaide wat voor Giskes en mij, maar we moesten door; de straf kwam later wel. We reden door Chaumont, Langres, Chalon, Dyon tot het mooie stadje Bourg en Bresse op 717 km. De kolonne parkeerde aan de rand van het stadje en wij liepen naar het drukke gezellige centrum waar het “Fête de la chateau” net op gang kwam.
Daarna via Pont d’Ain door naar Natua, onze tweede stop. Het was al avond. De kolonne werd geparkeerd langs het meer en de keukenwagen zorgde voor de inwendige soldaat. In de schemering maakten wij nog een boottochtje op het meer en daarna lekken slapen, althans dat dachten wij. Plotseling hoorden wij muziek in de verte en zagen wij lichtjes branden tegen de berghelling. Wij vroegen aan een passant wat dat was. “C’est une fête de marriage”, oftewel een feestelijke afronding van een voltrokken huwelijk.
Wij erheen, de berg op, en we werden gastvrij ontvangen met brood en wijn en “Du Marc”, een zelfgestookte eau de vie. Ik nam een slokje en mijn tong en gehemelte stonden direct in brand: 55% alcohol. Niet te drinken. Na enkele dansjes met de boerinnen had ik het wel bekeken en ging slapen. Maar een aantal “hardliners” kwam in de kleine uurtjes lallend en zingend naar beneden, terwijl we om 07.00 uur moesten vertrekken. Overigens maakten ze zoveel lawaai, dat wij ook géén oog meer dicht deden. De volgende dag het laatste deel; een zware route over smalle bergwegen. Zover als ik kon kijken, zag ik onze vrachtauto’s tegen de berghellingen zwoegen. Via Bellegarde, Collonges, Pougny, Chancy, waar we broederlijk op de foto gingen met de Zwitserse douane, kwamen we in de voormiddag aan bij de Hispano Suisa-fabrieken in Genève, waar we een maaltijd kregen in de kantine. Daarna nog snel een bezoek per bus en tram aan Geneve, waar we veel bekijks hadden wegens onze afwijkende uniformen.
Het was een zeer uitzonderlijk dat Zwitserland vreemde militairen toeliet op haar grondgebied. We keken onze ogen uit. Het neutrale Zwitserland had niet geleden in de oorlog, bovendien was Genève een erg luxueuze stad. Dat was goed te zien in de etalages van talloze chique kledingwinkels en juweliers. Het was kijken, kijken en niet kopen… Daar hadden we geen geld voor. In die tijd hadden we in Nederland helemaal niets. De volgende morgen zagen wij demonstraties met de snelvuurkanonnen in ondergrondse schietbanen. In de middag bezochten we het Palais de Nations van de Volkenbond, de voorganger van de VN.
Inmiddels waren de kanonnen en munitie ingeladen en konden we genieten van de voortreffelijk keuken van de kantine. De volgende morgen vroeg aantreden op het appel en toen terug via dezelfde route. Wij kregen nog een duistere figuur als burger passagier mee. Hij sprak Engels met een vreemd accent. Hij noemde zich Gerard, zwom in het geld en toonde vol trots een map met naaktfoto’s van mooie vrouwen, die hij zijn “trophy’s” noemde. Onderweg overnachtte hij in hotels, terwijl wij op de munitie sliepen. Bij aankomst in Nederland was hij met de noorderzon vertrokken.
De Commandant hield zijn mond dicht. Het was allemaal een beetje “hush hush”. We overnachtten weer in een Nantua. Daarna langs de mooie en heuvelachtige RN7 naar het Amerikaanse kampement in Reims, waar we weer werden volgetankt. Alles verliep probleemloos; de kanonnen en munitie werden afgeleverd bij de artillerie inrichting Hembrug in Amsterdam.
De volgende dag waren we weer in ROOSENDAAL. De missie was volbracht. Kort daarna werd ik bevorderd tot sergeant. Op 13 december 1946 verhuisde ons peloton naar de Engelbrecht van Nassau kazerne. Kort daarna namen de Commando’s onze plaats in; Roosendaal werd garnizoensstad. Ons peloton verhuisde weer, nu naar de oude Kromhoutkazerne in Tilburg en later in 1947 naar de Constant Rebec kazerne in Eindhoven om tenslotte te eindigen in het historische Wapenmagazijn in de smalle Halstraat, een zijstraat van de Grote Markt in Breda. De vrachtauto’s stonden geparkeerd op het Chasséterrein. 23 februari 1948 zwaaide ik af en was weer burger in Rotterdam.
Meer verhalen lezen? Klik hier!
Samen beleven we meer
Reacties op dit verhaal